Inleiding
Bhagwan werd geboren in Kuchwade, India, op 11 december 1931 als Rajneesh Chandra Mohan en herboren (Verlicht) op z’n eenentwintigste jaar en werd Bhagwan Shree Rajneesh. Zelf noemt hij zich niet Bhagwan hetgeen God betekent, maar zijn volgelingen noemen hem zo. Vanaf 1957 doceerde hij filosofie aan de Sanskrit Universiteit in Jabalpur maar zijn revolutionaire controversiële inzichten over seks, politiek en religie leidden tot zijn ontslag in 1966. Zoals ook boeddha en Jezus reisde hij rond, toespraken houdend tot wie maar luisteren wilde. Het was zijn ‘zonneperiode’, een tijd waarin hij z’n inzichten en ervaringen naar buiten moest brengen. Nu is hij in z’n ‘maanperiode’, teruggetrokken in zijn huis naast de ashram, in een constante meditatie, alleen aar buiten tredend voor de lezing ’s morgens van acht tot half tien en ’s avonds voor darsham: dan mogen tien à twaalf mensen hem persoonlijk ontmoeten op de patio van z’n huis. Dat is een van de diepste belevenissen van het leven in de ashram. Om hem heen op de grond, een voor een vertellend hoe we ons voelen, wat voor effect de meditaties en/of de groepstherapieën hebben, wat er in ons dagelijks leven met ons gebeurd is in die week: niets word hem bespaard: seksuele frustraties, relatiemoeilijkheden, dood van vrienden of familieleden, huilbuien, lachsalvo’s, iemand gaat weg, terug naar z’n land, vraagt en krijgt advies, iemand is net aangekomen, wil sannyas nemen, krijgt een nieuwe naam (’Vanaf nu bestaat je verleden niet meer, je bent niet meer wie je was’), krijgt een mala met de foto van Bhagwan en wordt verzocht oranje te dragen. Het Oranje dragen en de mala met de foto, zijn de grootste tests voor sannyasins. In het Oosten geen probleem, maar zegt Bhagwan, in het Westen loop je voor gek. En dat is ook wat je bent in de ‘markt’, zoals hij de wereld van geld, status, ambities en competities noemt, volslagen krankzinnig. Als je niet jezelf kunt blijven, weet je dat jij er nog steeds niet bent en is je overgave geen totale overgave aan het leven geweest. Maar, zegt Bhagwan ook, ‘neem niets serieus. Je prachtige naam is een grap. God is een grap. In wezen ben je niets anders dan twee energielijnen die elkaar kruisen. Het kruis van Christus. Zie het leven als een spel dat je bereid bent te spelen. Leef et leven, voel het, ervaar het, word het, dans het, vier het. Het leven is een mysterie dat geleefd moet worden, geen probleem dat moet worden opgelost. Stroom met de rivier, word de rivier, vier het leven: zing van verdriet, zing van geluk, je hebt de keuze elke morgen: wordt het een trieste dag of ben je gelukkig …’
Het is een wonder als je in de baarmoeder ligt en wacht op je geboorte. Een wonder. Je weet niet wat er zal gebeuren, niet eens hoe je eruit zult zien. Bhagwan ontmoeten en in zijn tegenwoordigheid leven, geeft me dit gevoel van verwondering, afwachting, geduld, diepe rust en stilte. Bhagwan zien is thuiskomen. Bhagwan zien is huilen, huilen, huilen, om alle verspilde tijd, maar ook weten, als ik m'n tijd niet zò verspild had, zou ik hem nooit zo intens kunnen ervaren. Zo vaak heb ik gedacht … als ik Bhagwan op straat zou tegenkomen, of Jezus of Boeddha of Zoroaster, of Mahavir of Bodhidharma of Lau-Tze of Tilopa … zou ik herkennen, zou ik meegaan zoals die man tegen wie Jezus zegt, als hij z’n vader moet begraven die dood ligt opgebaard in de stad … ‘Laat de doden de doden begraven, komt u en volgt mij.’Zou ik volgen, zou ik gewoon meegaan en mezelf totaal opgeven, me overgeven aan de bron van het leven op dat moment? … ik kon daar geen eerlijk antwoord op geven want met verbijstering sloeg ik mezelf gade en bezag alle foefjes en trucjes van mijn denken dat altijd weer uitvluchten weet te bedenken waar ik dan weer intrap en inderdaad, zoals Bhagwan zegt, je graaft het gat en valt er zelf in en dan roep je om hulp … We zijn een stelletje wonderlijke wezens en Bhagwans mededogen is overweldigend, pijnlijk, het kan niet waar zijn denkt je denken, dat iemand zoveel van je houdt dat alles, alles wat je doet of niet doet, bent of niet bent, met honderd percent liefde en begrip wordt begroet. Het is te veel … en keer op keer besef ik dat ik het goede ontvlucht, het niet wil kennen, niet wil geloven … afdwaal, terugkeer, wegren, terug hol. En ik niet alleen … We zijn gek, stapel gek. Wat is er met de mens gebeurd dat hij zo tegen z’n hart in leeft. Dat hij niet meer weet waar z’n hart is en dat hij het niet meer volgt. Als je hier een tijdje bent gebeurt er er iets dat ik verstandelijk absoluut niet kan begrijpen, maar dat ik wil omschrijven als: ik ben een wandelend hart. Ik heb het gevoel dat ik smelt, smelt, smelt. Is het de Indiase hitte of Bhagwans liefde? Groei ik of ga ik dood? Word ik een doodgeboren nietsheid of een liefdesbloem? Er is geen antwoord … nog niet, er is alleen maar Bhagwans glimlach: Alles is goed, alles, wat dan ook. Zelfs de ellende, de pijn, het lijden en de straten van Poona, Bombay, Calcutta, de armoede, de sociale misstanden, de bedelaars, de strevende honderden kinderen, de kreupelen … het geld in mijn zak, mijn weldoorvoede maag, de rijke sannyasins in de dure hotels, mijn comfortabele flat … ik zie het allemaal en ik weet nu dat het reflecties zijn van wat in mij gebeurt, dat mijn mede-lijden met de bedelaars een prachtig excuus is om m’n eigen pijn, m’n eigen doodstrijd, m’n eigen conflict tussen twijfel en vertrouwen niet te hoeven zien, niet te voelen … prachtig zoals ze me met rust laten als ik vol mededogen over de markt loop en geen onderscheid voel tussen hen en mij … prachtig zoals ze als lastige vliegen aan me klitten en kleven en zeuren om geld als ik medelijden heb met hen en onderscheid schep tussen hun wereld en de mijne. Als een kat reflecteren zij mijn staat van zijn; als spiegels reflecteren ze mijn hart.
Tilopa en Bhagwan laten zien waar het om gaat; dat iedere vorm van ascese, discipline, afbreuk doet aan de waarheid, dat iedere regel die je jezelf denkt te moeten opleggen om ’spiritueel te groeien' conflict veroorzaakt: goed – niet goed; juist – onjuist, en maakt dat je nooit een geheel kunt worden, dat alles wat je onderdrukt, een gebonden onnatuurlijk wezen van je maakt tussen jou en het leven, of tussen jou en het Geheel, of tussen jou en God.
Het voornaamste dat Bhagwan me leert is dat hij niet bestaat, dat hij geen mens is, geen persoon en dus ook niet ‘aanbeden’, ‘vereerd’ of wat dan ook, kan worden. Hoe kun je iets aanbidden dat niet bestaat? Hoe kun je Leegte op een voetstuk plaatsten? Hij leert mij, dat hij mijn innerlijkste wezen, mijn kern, mijn ware ik weer-spiegelt, dat hij de manifestatie is van het goddelijke in mij, zoals de bedelaars mijn pijn, mijn lijden, mijn denken in dualisme, manifesteren … en mijn overgave aan hem betekent dat ik mijn innerlijkste kern durf bloot te leggen, zodat ik op een gegeven moment naakt overeind sta en het leven door mij heen kan laten gebeuren. Ik wacht, ik wacht af, totdat wat in mij verborgen is tot leven komt.
Ma Prem Pushpa
0 comments:
Post a Comment